top of page
_DSC3453-silver-crop-16-9.jpg

Judith Linders

Column, recensie, essay

  • Foto van schrijverJudith Linders

Nederland, een aangeharkt park

“In Nederland is geen natuur, Nederland is één aangeharkt park.”

Tijdens de introductie van een cursus documentaire fotografie vertelde ik dat ik een fotoproject ga doen over biodiversiteit. Dat ik van de natuur houd en me ervoor wil inzetten. Mijn medecursist kijkt me somber aan als hij bovenstaande opmerking maakt. We leven volgens hem in een land zonder natuur. Die opmerking is verre van origineel, ik hoor haar regelmatig. De medecursist vertelt dat hij natuur gelijkstelt met ongerepte wildernis, die geen enkele invloed van mensen heeft ondergaan. Zijn opmerking stoort me. Maar waarom eigenlijk? Daar heb ik de afgelopen maanden veel over nagedacht.


Allereerst is er een probleem van definitie. Een rondje Google laat zien dat het woord natuur veel definities kent. Bijvoorbeeld: alle levende organismen, hun habitat, het ecosysteem waarvan zij deel uitmaken en de daarmee verbonden, uit zichzelf functionerende ecologische processen, ongeacht of ze al dan niet voorkomen onder invloed van menselijk handelen, met uitsluiting van cultuurgewassen, landbouwdieren en huisdieren. Of: alles op aarde wat niet door de mens is gemaakt: planten, dieren, bergen enz. In de economische wetenschap wordt natuur gedefinieerd als alles wat vanzelf aanwezig is in een economie, natuurlijke hulpbronnen als het Nederlandse aardgas, het klimaat, dierlijk en plantaardig leven. Kenmerkend voor die laatste definitie is, dat deze hulpbronnen worden beschouwd als productiefactoren.

“Ongerepte wildernis, zonder enige menselijke invloed” is een definitie, die de vraag oproept waar de grens ligt. Wanneer was natuur nog natuur? En sinds wanneer is zij dat niet meer?

Sinds de mens voor het eerst werktuigen gebruikte?

Sinds hij vuur leerde beheersen?

Sinds jagers/verzamelaars ongeveer 4.500 jaar geleden gewassen begonnen te telen?

Is die grens überhaupt te leggen? Is het niet zo dat de mens vanaf zijn begin samen met en in de natuur heeft geleefd en dat er altijd al sprake is geweest van wederzijdse beïnvloeding? De mens is ook bepaald niet de enige diersoort die invloed uitoefent op de natuur. Neem bevers. Doordat zij bomen omknagen zorgen ze voor open plekken in bomenrijke gebieden, waardoor daar vlinders en libellen kunnen leven. Door dammen te bouwen reguleren ze waterstanden en ze voorkomen daarmee overstromingen of zorgen er juist voor dat gebieden nat genoeg blijven in droge periodes.


Op een junidag loop ik over Landgoed Tongelaar om te fotograferen. Het is een mooie, rustige plek. Een Brabants cultuurlandschap dat ooit ontstond rondom een middeleeuwse motte-burcht. Het is warm en ik hoor alleen insecten zoemen. De droge aarde ruikt naar zomer. Het zonlicht wordt gefilterd door statige, oude eikenbomen. Dan hoor ik het zomergeluid bij uitstek. Koekoek, koekoek. Wat een heerlijk moment. Ik vraag me af wat de koekoek is, in de definitie van mijn medecursist. Is de koekoek natuur? Of is hij alleen natuur als hij in de winter op de wilde savanne in zuidelijk Afrika vertoeft, maar niet meer als hij zomers in ons cultuurlandschap huist?


Een tweede probleem is dat natuur definiëren als wildernis zonder beïnvloeding van mensen ons schaakmat zet. Want deze definitie leidt onherroepelijk tot de conclusie dat er in Nederland inderdaad geen natuur meer is. Voor sommigen is dat een handige conclusie, want dan hoef je je niet druk te maken over het beschermen ervan. Je kunt je kop in het zand steken, de klimaatcrisis ontkennen en onbekommerd verder leven, zonder je ooit iets te ontzeggen. Fnuikender is misschien dat deze conclusie voor mensen die eigenlijk houden van de natuur leidt tot machteloosheid en moedeloosheid. De mens heeft alles kapotgemaakt, er valt niets meer te redden. In die laatste gedachte sijpelt iets door van een verlangen naar een ongerepte staat die nooit heeft bestaan. Naar een paradijs waar de mens in perfecte harmonie samenleefde met en in de natuur. Nu rest alleen nog verlies. En cynische verachting voor de mens, die grote verwoester. Beide standpunten vind ik betreurenswaardig, want ze leiden niet tot positieve actie.

Het probleem van de natuur is mijns inziens niet zozeer dat wij er invloed op uitoefenen. Het probleem is dat die invloed desastreus uit balans is geraakt, sinds de schaalvergroting in de landbouw in de jaren ‘50, de sterke toename van industrie en verkeer in de laatste zeventig jaar en het uit de pan rijzende consumentisme van de laatste veertig jaar.


Het loopt tegen vijven en ik lig nog in bed wanneer ik op een lenteochtend een mij onbekende vogel hoor. Puuuuw, Puuuuw, Puuuuw, Puwiep, Puwiep, Puwiep, Piep, Piep, Piep, Truwtitie, Truwtitie, Truwtitie. En dan tussendoor nog wat ratels. Ik had nog niet eerder een vogel gehoord die zo’n groot repertoire aan geluiden heeft. Met zijn volume overtreft hij alle andere vogels in het parkje naast mijn flat.

Als ik lig te luisteren moet ik denken aan wat Montaigne schreef over onze communicatie met dieren. “Hoe kan de mens met ZIJN verstandelijke vermogens, de innerlijke, verborgen beweegredenen van dieren kennen? Uit welke vergelijking tussen hen en hemzelf leidt hij af dat ze dom zijn? En waarom zou het niet net zozeer aan ons liggen als aan de dieren dat wij niet met hen kunnen communiceren? De vraag wiens fout het is dat wij elkaar niet kunnen verstaan valt niet op te lossen, want wij begrijpen hen al evenmin als zij ons." Met deze stellingname gaat hij tegen de stroom in.

Een stroom die ergens in de oudheid is ontstaan, toen de mens verliefd werd op zijn verstandelijke vermogens en redenen zag om zichzelf te verheffen boven zijn natuurlijke omgeving. Zo vond Plato de mens bijzonder, vanwege zijn vermogen om te redeneren en te achterhalen hoe de wereld in elkaar zit. In de monotheïstische godsdiensten is het idee van een unieke menselijke ziel uitgewerkt tot het geloof in één God, die de wereld heeft geschapen en de mens naar zijn evenbeeld. De bezielde mens stond hoger op de hiërarchische ladder dan zijn omgeving en was uitverkoren om te heersen over de natuurlijke wereld. Die gedachte is zo belangrijk, dat de bijbel ermee opent. De filosoof Descartes gaat nog verder. Hij ziet alleen het intelligente gebruik van taal als bewijs voor het hebben van rede en een ziel en dat bewijs kunnen dieren niet leveren. Hij vergelijkt dieren met een uurwerk, dat bestaat uit radertjes en zodoende functioneert. Dieren hebben geen ziel en geen gevoelens, het zijn mechanische wezens die acteren vanuit reflexen en onwillekeurige handelingen.

Ik denk dat iedere hondenbezitter wel weet dat dit laatste niet klopt. Descartes kende natuurlijk Cindy niet, de Schotse Collie waarmee ik ben opgegroeid. Zij mocht niet op de bank of de stoelen liggen. Wanneer wij een paar uur weg waren geweest, lag ze bij thuiskomst braaf op de grond. Maar als je dan voelde aan mijn vaders stoel was die helemaal warm. Navraag bij de hond of ze niet toch stiekem op zijn stoel had gelegen leverde steevast een heel schuldbewuste blik op, die ons altijd vertederde. Op Facebook zijn talloze filmpjes te vinden van dieren die emoties tonen.

Alle eeuwen van filosofie en godsdienst met hun onwrikbare waarheid van onze superioriteit hebben een heel grote invloed gehad op hoe wij nu met de natuur omgaan. Niet met onze huisdieren, die we vertroetelen, maar bijvoorbeeld wel met dieren die lijden in de bio-industrie, zodat wij ons klinisch voorverpakte stukje vlees kunnen eten. De afstand die wij in een paar duizend jaar hebben genomen van de gedachte dat wij een deel zijn van de onze natuurlijke omgeving maakt het wel erg makkelijk om onze ogen te sluiten voor de rampzalige invloed die wij op daarop uitoefenen.


Het metrosysteem van Tokyo is een schoolvoorbeeld van menselijke intelligentie. Het is ingenieus ontworpen en bijzonder efficiënt. Wetenschappers in Japan hebben een experiment uitgevoerd om te zien hoe een slijmvorm, de Physarum Polycephalum, reageert in een petrischaal waarin havervlokken op specifieke plekken zijn neergelegd, overeenkomend met de ligging van de dorpen en steden rondom Tokyo. In het midden lag de havervlok die Tokyo zelf moest voorstellen en daarop werd de slijmvorm geplaatst. In het begin vertakte de slijmvorm zich zonder onderscheid overal heen. Maar na een paar dagen kwamen er minder vertakkingen en werden ze efficiënter in het leggen van verbindingen tussen de havervlokken. Uiteindelijk had de slijmvorm een netwerk gemaakt dat nagenoeg hetzelfde was als het metronetwerk. Let wel, het betreft hier een levensvorm zonder hersenen en zonder centrale aansturing. Toch vertakte hij zich op een doeltreffende en intelligente manier.

Misschien is het goed als wij mensen minder hoogmoedig worden en erkennen dat onze intelligentie weliswaar uniek is, maar zeker niet de enige soort intelligentie is, die bestaat.


Toen ik een jaar of zes geleden in een opwelling een camera kocht en begon met landschapsfotografie gebeurde er iets heel logisch wat ik toch niet had verwacht. Ik leerde zien. En later leerde ik horen. In het begin leerde ik vooral patronen zien in landschappen en subtiele verschillen in licht en kleur. Later, toen ik in het bos ging fotograferen, begon ik kleine afwijkingen te zien in de beweging van blaadjes in het struikgewas, een teken dat er een dier loopt. Ik leerde te herkennen hoe het geritsel van verschillende dieren klinkt.

Bij de Sint-Jansberg, mijn favoriete natuurgebied, zag ik een keer uit mijn ooghoek een vos die vanuit het bos het pad waarop ik stond over wilde steken. Ik zag hem voordat hij mij in de gaten kreeg en bleef stil staan. Toen hij mij in het vizier kreeg, aarzelde hij. Hij wilde oversteken, maar moest het gevaar toch even inschatten. Toen liep hij verder, stopte even en liep, op zijn dooie gemak zo leek het, weer verder. Dat deed hij zonder nog een keer naar mij te kijken, als een klein kind dat de handen voor de ogen doet in de veronderstelling dat jij het niet ziet als het jou niet ziet. Eenmaal aan de andere kant van het pad gekomen verdween hij pijlsnel tussen de bomen. Het was voor mij een betoverend moment, waar ik heel gelukkig van werd. Ik had zomaar, van dichtbij, een vos gezien!


Een andere keer wilde ik even uitrusten op een omgevallen boom. Het had de nacht daarvoor flink geregend en het bos geurde volop. Vooral de naaldbomen roken heerlijk, met hun verleidelijke parfum van suikerpinachtige zoetheid en aards hout. Toen ik wilde gaan zitten zag ik tientallen landpissebedden op de boomstronk. Het zijn wonderlijke dieren die ooit uit de zee zijn geklommen maar wel hun kieuwen hebben behouden. Deze zijn aangepast zodat pissebedden op land kunnen leven en ze worden nog steeds gebruikt om zuurstof op te nemen. Hierdoor moeten pissebedden in een vochtige omgeving leven. Omdat het nachtdieren zijn, zie je ze zelden. Als kind vonden we ze vaak door stenen of tegels om te draaien. Het zijn nuttige dieren die door dode bladeren te eten en weer uit te poepen bijdragen aan de humusvorming van de bodem. Ik heb ze op mijn gemak geobserveerd. In het bos zijn en telkens opnieuw dieren en planten ontdekken, daar geniet ik erg van. Soms zie ik dieren waarvan ik nooit eerder had gehoord, zoals het grijze vogeltje met het donkere kopje dat nieuwsgierig kwam kijken wat die fotograaf toch aan het doen was. De geweldige app Obsidentify vertelde me dat het een zwartkopje is.


Het wilde bos

Toch ben ik niet zo naïef om te denken dat het goed gaat met de natuur in Nederland.

De Sint-Jansberg is geen bijzonder groot natuurgebied, zo’n 226 hectare en het is grotendeels aangelegd, op wat stukjes oerbos na. Het is een natuurgebied dat zwaar onder druk staat. Daarom grijpt Natuurmonumenten stevig in. Bijvoorbeeld om de nadelige effecten van stikstofdepositie te bestrijden. Of met maatregelen die de inzijging van voedselrijk water in de stukken met natte alluviale bossen tegengaan. Ook zorgt Natuurmonumenten ervoor dat de habitat van het zeldzame vliegend hert verbeterd wordt, zodat deze aansprekende bosbewoner het makkelijker krijgt. Er wordt hard gewerkt aan een robuuster natuurgebied, met meer biodiversiteit. Hier is de invloed van de mens er dus juist op gericht de natuur te versterken en te beschermen. De natuur bij de Sint-Jansberg is niet de enige die het moeilijk heeft in Nederland. Zo is de helft van onze 358 soorten wilde bijen bedreigd. Zij zijn cruciaal voor de productie van ons voedsel. 80% van onze eetbare gewassen is afhankelijk van bestuiving door bijen en andere insecten. Maar met de schaalvergroting van de landbouw is hun habitat voedselarmer geworden en door het gebruik van pesticiden worden veel bijen vergiftigd.

Ik begrijp best waarom mijn medecursist somber en moedeloos wordt, de problemen zijn zo talrijk en groot. Soms lijken ze zelfs onoverkomelijk.


Maar toch…..er is nog zoveel natuur te vinden in ons land. Als je alleen al kijkt naar de Sint-Jansberg dan heb je daar reeën, wilde zwijnen, dassen, verschillende soorten muizen, boommarters en talloze dieren die voor ons onzichtbaar blijven, zoals bijvoorbeeld de zeldzame zeggekorfslak, die maar 2 mm groot is. Er is een grote verscheidenheid aan planten, waarvan sommige maar zeer sporadisch voorkomen in Nederland, zoals het Paarbladig Goudveil en de Reuzenpaardenstaart. Die laatste staat in groten getale bij elkaar en dat vind ik prachtig, het is net een groene, donzige wolk. Het besef van al het leven dat hier bestaat, ook als wij het niet zien, vervult me met verwondering.


Takjes van de Reuzenpaardenstaart

Ik pauzeer tijdens een lange fototocht op mijn favoriete bospad. Het is een zonnige oktoberdag. De lucht is vochtig en ruikt al licht naar vermolming. Blaadjes zweven naar beneden en in het zonlicht lijken het wel schijfjes goud. De bomen zijn hier deels nog groen. Verderop dansen blaadjes omhoog in een plotselinge windvlaag. Onder mijn voeten verbinden kilometers mycelium de bomen met elkaar in een netwerk van communicatie en wederzijdse bijstand. Een specht tikt tegen een boomstam. Ik voel me vredig en beschut. Ik voel me verbonden met mijn omgeving, onderdeel van het magische bos, dat vol leven is.


Opeens realiseer ik me waarom de opmerking van mijn medecursist me zo tegenstaat. Dat komt door het gebrek aan verbondenheid met onze natuurlijke omgeving dat eruit spreekt. Zo bekeken lijkt de opmerking direct afgeleid van onze overtuiging dat wij mensen afgescheiden zijn van en verheven boven de natuur. De opmerking getuigt van denken in een tegenstelling tussen mens en natuur. Het is hoog tijd dat we die heilloze overtuiging achter ons laten.


De natuur in Nederland is rijk en gevarieerd, maar wordt steeds ernstiger bedreigd. Dat betekent dat zij dringend mensen nodig heeft die haar willen beschermen. Wanneer je letterlijk stilstaat in de natuur, de tijd neemt om haar te observeren en echt te zien, je over haar rijkdom verwondert en je met haar verbonden voelt, gebeurt er iets bijzonders. Iets wat ertoe leidt dat je keuzes gaat maken die goed zijn voor de natuur, al moet je je daarvoor iets ontzeggen. Bijvoorbeeld door als fotograaf op de paden te blijven in natuurgebieden, ook als de verleiding groot is om ervan af te gaan, omdat je denkt dat je dan een veel mooiere foto kunt maken.

Het moedeloze “In Nederland is geen natuur, Nederland is één aangeharkt park” leidt niet tot dat soort keuzes. Hoe kun je immers iets willen beschermen dat niet bestaat?

Comments


bottom of page